Hy keek my aan, zyn ogen weerspiegelden een heilig ontzag voor zyn eigen wysheid. "Ach weet je wat het is? Ik ben een levensgenieter. Ik leef van dag tot dag, van moment tot moment en ik sta stil by de mooie ogenblikken, by de minder mooie loop ik weg. Misschien kom je op die manier niet tot optimaal genot, maar wat wil je dan? Je wordt ouder, je maakt van alles mee en steeds meer ga je de betrekkelykheid van dingen inzien. Geluk is iets onwezenlyks, tenminste wanneer je het zuiver beschouwd. Op het moment dat je tyd daar is."
Hy pauzeerde even om de betekenis van zyn eufemisme ten volle tot my door te laten dringen. "Als je tyd daar is wordt alles wat je hebt uit je handen geslagen, óók je geluk. Dus waarom zou ik my te pletter werken voor een snelle auto, voor een villa met zwembad, voor een jacht met byboot? Waarom zou ik my overladen met zware literatuur over het leven? Waarom zou ik proberen een gezinnetje te stichten? Waarom zou ik dat allemaal doen? Je hebt er uiteindelyk geen flikker aan. Nee, ik ben niet zo stom als de rest, ik zit fyn in het zonnetje, aan een glas whisky en een glimlach heb ik genoeg. Wat er over een uur kan gebeuren interesseert my niet, dat zie ik dan wel. Voor my geen verzekeringen of pensioenen. Al die stompzinnige burgermannetjes met hun bekrompen ideeën, hun hypotheken, hun auto's die gewassen moeten worden."
Hy had nu een blik alsof de hele wereld zyn vyand was, hy keek ook alsof er nog veel meer was dat hem dwars zat. Ik draaide my om en begon een gesprek over voetbal met myn buurman aan de andere zyde. Ook ik ben een levensgenieter.